Stichting ANGOB

 

WAAR BLIJFT HET BREDE ALCOHOLBELEID ?

Tussen 1955 en 1980 is de Nederlandse alcoholconsumptie tot het viervoudige gestegen. De daardoor veroorzaakte problemen rezen de pan uit. Het sinds de tweede wereldoorlog gevoerde beleid, kon die toename van de problemen niet stoppen. Meer consultatiebureaus voor verslaafden, meer rechtzittingen voor verkeerszondaars, het was alles tevergeefs. De verontrusting die daaruit voortkwam, leidde in 1986 tot de nota "Alcohol en Samenleving" van de staatssecretaris van Volksgezondheid. Die nota werd door de Tweede Kamer aanvaard als richtlijn voor het beleid.

Het was gebleken dat het alcoholprobleem niet alleen maar de optelsom was van een aantal individuele gevallen. Er was meer aan de hand. De nota constateert letterlijk : "De regering is dan ook van mening daat alcoholproblemen niet langer uitsluitend op het individuele niveau kunnen worden benaderd . . . ." , en even verder "De alcoholproblematiek is een maatschappelijk verschijnsel geworden . . . . dat op een breed maatschappelijk niveau om maatregelen vraagt".

Het parlement en naar wij aannemen ook de huidige regering, zijn nu halverwege hun zittingsperiode. De contouren worden zichtbaar van wat er wel en wat er niet gerealiseerd zal worden van de beleidsvoornemens. Ons bekruipt het bange vermoeden dat ook in deze parlementaire periode geen omvattend, maatschappijbreed alcoholbeleid van de grond zal komen. Er is veel publiciteit over alcoholproblemen geweest, maar geen beleid gericht tegen de oorzaken van die problemen. De regering zet het proefballonnetjes beleid van de vorige twee kabinetten voort.

Regelmatig worden zinvolle voorstellen gelanceerd door regering of parlement. Zodra de alcoholbranche protest aantekent, verdwijnen ze echter naar de doofpot. Alle voorstellen die echt zoden aan de dijk zouden zetten, zijn door lobbyen bij regering en bepaalde kamerfracties getorpedeerd. De alcoholbranche wil graag samen met de regering de nadelige gevolgen van de alcoholconsumptie tegengaan, maar niet die consumptie zelf. De alcoholbranche wil symptomen bestrijden, zonder de oorzaken aan te vatten. De schade beperken door symptoombestrijding.

Ouders de schuld geven van het drinken van hun kinderen, dat wil de branche wel (zie de advertentie van Heineken). De chauffeur alcoholvrij houden zodat de passagiers ongehinderd kunnen zuipen, prima. Verhoging van de leeftijdsgrens echter, kost omzet en is dus taboe. Dat voorstel is dan ook de doofpot in gegaan. Verbieden van happy hours ging dezelfde weg. Verhoging van de accijns is al helemaal onbespreekbaar. Richt nog maar een paar poliklinieken voor coma-zuipers op, als de branche maar geen omzet behoeft in te leveren.

Een hindernis voor een effectief alcoholbeleid, is verder de door de laatste drie kabinetten gepredikte individuele verantwoordelijkheid. Die heeft geleid tot een jungle van eigen bijdragen voor van alles en nog wat. Maar die individuele verantwoordelijkheid dreigt van de alcoholproblematiek weer een verzameling individuele gevallen te maken. De constatering van de nota van 1986, dat de alcoholproblematiek een maatschappelijk verschijnsel is geworden dat om een maatschappelijke aanpak vraagt, gaat daarmee de prullenbak in. Terug dus naar een aanpak die bewezen heeft niet te werken.

Dr.ir. D. Korf