Stichting ANGOB

 

ALCOHOL NOG VEEL TE GEWOON

In de tweede helft van de negentiende eeuw kende Nederland een enorm alcoholprobleem. In de eerste helft van de twintigste eeuw gelukte het om het niveau van de hoofdelijke consumptie, en de omvang van de problemen sterk terug te brengen. Na 1955 namen consumptie en problemen echter weer toe. In dertig jaar tijd steeg het hoofdelijk alcoholgebruik in ons land met ruim 300 procent. Daarvoor valt een aantal oorzaken aan te wijzen. Welvaart en vrije tijd namen toe, uitheemse drinkgewoonten werden door toeristen mee naar huis genomen, de alcoholreclame werd intensiever en effectiever, de medicalisering van het alcoholisme benam het publiek het zicht op het probleem, en de herinnering aan de ellende van vóór 1900 vervaagde. De toename van de vraag leidde tot een toename van het aantal verkooppunten, alcohol raakte op bijna elke straathoek verkrijgbaar.

Parallel met de toename van de consumptie, namen ook door alcohol veroorzaakte problemen toe. Zo steeg het aantal alcoholisten van circa 23.000 in 1955 naar ruim 300.000 in 1986. Het hoge consumptieniveau, de alomtegenwoordige reclame voor drank, de toename van het aantal verkooppunten (ruim 60.000, veel meer dan in de vijftiger jaren), leidden er toe dat alcoholgebruik steeds meer “gewoon” gevonden ging worden. En wat “gewoon” is kan toch niet “slecht” zijn, zo was de instinctieve reactie van velen. Die reactie verzwakte de weerstand tegen alcoholgebruik nog verder. Alcoholgebruik was in die jaren een vicieuze spiraal, hoe meer er geconsumeerd werd hoe zwakker de weerstand tegen het gebruik werd.

In de zeventiger jaren konden de noodkreten uit de gezondheidszorg, de politie, en het verzekeringswezen niet langer weggemoffeld of genegeerd worden. Het ministerie van Volksgezondheid besloot tot een wijziging van de aanpak. De oude aanpak, met wat vriendelijke voorlichting en steeds meer consultatiebureaus en klinieken voor alcoholisten, had gefaald. Er moest een maatschappijbrede aanpak komen, zoals geschetst in de Alcoholnota van 1986. Die nota is door het parlement aangenomen als richtlijn voor het beleid. Vanaf dat moment is het alcoholbeleid mede gericht op matiging van de consumptie. Overeenkomstig artikel 22 van de Grondwet : “de overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid”.

Willen matigingscampagnes aanslaan, dan moet daarvoor maatschappelijk draagvlak bestaan. De hierboven geschetste verzwakking van de weerstand tegen alcoholgebruik, maakte dat de eerste campagnes van “drank maakt meer kapot dan je lief is” slechts een beperkt succes hadden. Zij klopten aan dovemansoren. Nu kan men van campagnes gericht op mentaliteitsverandering ook weinig succes binnen een beperkt tijdsbestek verwachten. Zij moeten jarenlang blijven lopen. Zo lijkt de campagne gericht op ouders van beginnende drinkers, gecombineerd met de verhoging van de wettelijke leeftijdsgrens, de laatste jaren pas resultaat op te leveren. Ouders aanspreken op het drinkgedrag van hun kinderen en daaraan veronden gevaren, levert meer resultaat dan die ouders aanspreken op hun eigen drinkgedrag. Daardoor schuift de leeftijd waarop jongeren beginnen te drinken, langzaam op naar hogere leeftijd.

Het begin is er. Nu nog een minimumprijs, vermindering van het aantal verkooppunten en beperking van de reclame.

Dingeman Korf