terug

Commercie nog teveel invloed op het alcoholbeleid

Een jaar geleden constateerden wij dat de kans op een effectiever alcoholbeleid sterk verbeterd was in vergelijking met januari 2012. De bezuinigingen van het laatste kabinet Balkenende op het matigingsbeleid voor alcohol en tabak, waren deels teruggedraaid. Nederland was ver achterop geraakt bij het uitwerken van de voorstellen van de Europese Commissie en de WHO. Een inhaalslag was dringend gewenst. Dus moest de minister van Volksgezondheid (overigens dezelfde als onder Balkenende) wel door de bocht.

De belangrijkste stap vooruit was in 2013 de wetswijziging met betrekking tot de leeftijdsgrens. De minimumleeftijd voor het kopen van zwak-alcoholhoudende dranken werd van 16 naar 18 jaar verhoogd. Die verhoging is enkele dagen geleden, namelijk per 1 januari 2014 ingegaan. Daarmee is één van de suggesties uit de ministeriële alcoholnota van 1986 eindelijk werkelijkheid geworden.

De grondgedachte van die nota is echter nog niet gevolgd. In de nota werd namelijk geconstateerd dat alcoholproblemen zich door de gehele samenleving voordeden, en dat er daarom een maatschappijbreed matigingsbeleid zou moeten komen. Zowel van producenten als consumenten zou een bijdrage worden gevraagd.

De verhoging van de minimumleeftijd voor alcohol naar 18 jaar, zien wij als een incidentele maatregel. Want zonder verbetering van de naleving, wordt hiermee het excessieve drinken door jongeren nauwelijks aangepakt. Bovendien pleiten medische argumenten voor een nog hogere leeftijdsgrens. Een grens van 21 jaar, zoals in een groot deel van de Verenigde Staten, zou om medische redenen de voorkeur verdienen.

Concrete plannen voor verbetering van de naleving van de leeftijdsgrens, hebben wij nog niet gezien. Integendeel. De regering heeft al per 1 januari 2013 de handhaving van de drankwet afgeschoven naar de gemeenten (zonder de gemeenten daarvoor voldoende middelen ter beschikking te stellen).

Het voeren van een effectief alcoholmatigingsbeleid blijft een moeizame zaak zolang de alcoholbranche zoveel invloed op het beleid heeft. De branche ziet in aanpakken van (door haar erkende) uitwassen het middel bij uitstek om alcoholproblemen te verminderen. Die uitwassen ziet de branche vooral bij de gebruikers, en niet bij zichzelf. En de aanpak van de uitwassen ziet de branche vooral in strafbaar stellen.

Strafbaar stellen van uitwassen heeft op zichzelf maar weinig preventief effect op gedrag. Het leidt in eerste instantie vooral tot ontduiken en camoufleren. Als de politie ver weg is, worden impopulaire verboden genegeerd. Men gedraagt zich alsof zij niet bestaan. Gedrag vloeit voort uit mentaliteit en cultuur. Die twee zijn alleen heel geleidelijk te veranderen, door systematische en permanente beïnvloeding.

De alcoholbranche heeft zich tot nu toe met succes verzet tegen elke ingreep die haar vrijheid inperkt. Een landelijk verbod op “happy hours”, waar nota bene de Tweede Kamer om gevraagd had, is er niet gekomen. Nu wordt een eventueel verbod aan de gemeenten overgelaten. Een verbod op de meest indringende vormen van alcoholreclame, zoals voorgesteld in de nota van 1986, is er niet gekomen. Forse accijnsverhoging evenmin. Tegen de nu in discussie gekomen minimumprijs, verzet de branche zich hevig. Enzovoorts.

De commercie heeft nog steeds meer invloed op het beleid dan de volksgezondheid.

Dr.ir. D.Korf